| Wie boter op zijn hoofd heeft kan maar beter uit de zon blijven |
| Geschreven door Peter Siebelt | |||
| dinsdag 16 september 2008 00:00 | |||
|
Geachte heer Balkenende,
Dit is voor mij als deskundige op het gebied van links-extreme organisaties, en zonder een immens controleapparaat ter beschikking, een onverteerbare zaak. Mede omdat u de affaire rond minister Jacqueline Cramer op een nogal gemakzuchtige wijze heeft afgehandeld, heb ik inzake de huidige zaak Bussemaker maar vast het voortouw genomen om het Nederlandse publiek over het een en ander nader te informeren. In afwachting van uw reactie op de vragen van de VVD verblijf ik,
Peter Siebelt
(3)Heeft u kennisgenomen van de opmerking in de uitzending dat staatssecretaris Bussemaker deze zaken aan u heeft gemeld als antwoord op uw vraag bij de Kabinetsformatie of er nog relevante feiten waren uit het verleden of het heden die mogelijkerwijs het Kabinet konden schaden? Op basis waarvan heeft u geconcludeerd dat er geen probleem was?
Frappant. Waarschijnlijk geldt hier het spreekwoord: “Wie boter op zijn hoofd heeft kan maar beter uit de zon blijven.” Dat Bussemaker betrokken was bij J&J hoorden we pas nadat de VVD op 3 september 2008 uitleg eiste van premier Jan Peter Balkenende, en het weekblad Elsevier erover publiceerde. Volgens Balkenende had Bussemaker bij haar aanstelling haar betrokkenheid bij J&J gemeld, en daarbij gaf ze aan altijd binnen de grenzen van de wet te hebben gehandeld. Daarom vond hij het verleden van Bussemaker geen belemmering voor haar benoeming tot staatssecretaris en heeft het daarbij gelaten. Daarna volgden er enkele dagen van ijzige stilte. Het journaille liet de zaak liggen. Na de mediahype rond Wijnand Duyvendak en Jaqueline Cramer waren kreten als ‘een heksenjacht op links’ niet van de lucht. Daar wilde men liever afstand van nemen; een dergelijke kretologie zou uiteindelijk hun geloofwaardigheid aan hebben kunnen tasten. Het was de journalist Stan de Jong die voor het weekblad Revu een onderzoek naar J&J verrichtte. Hij waagde die stap wel en kwam na enkele dagen met een kort verslag. Hij begon met de opmerking: “De berichtgeving over de linkse stichting waarin staatssecretaris van Volksgezondheid Jet Bussemaker actief was, waaide wel heel snel over.” De Jong vroeg zich af welke stichting het was: “Wie zaten er nog meer in? En wat deed deze stichting?” Daarna gaf hij een korte toelichting. Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat Bussemaker van september 1993 tot maart 1996 penningmeester was van de in Amsterdam gevestigde stichting Res Publica, die als formele doelstelling zou hebben het ‘organiseren van beurzen, tentoonstellingen, braderieën e.d.’. Opvallend zijn de namen van een aantal medebestuursleden, zoals Johannes (Jan) van Buuren, die samen met Wijnand Duyvendak aan de wieg stond van uitgeverij Ravijn, die o.a. publicaties van J&J verzorgde. Van Buuren, destijds huisgenoot van Duyvendak, werd in 1988 gezocht door de politie wegens mogelijke betrokkenheid bij de terreurgroep RaRa die verantwoordelijk was voor brandstichtingen op Makro-vestigingen en aanslagen op Shell-stations. (…) Duidelijk is dat Bussemaker, die in een kraakpand woonde en voordat zij lid werd van de PvdA actief was in GroenLinks, tenminste heel dicht in de omgeving van harde activisten zat,” aldus Stan de Jong. “Harde activisten”, een bescheiden formulering. J&J was een zéér schimmig groepje radicalen die jarenlang op smerige wijze de jacht opende op functionarissen van politie- en inlichtingendiensten. Een club die nauw verbonden was met het links-radicale blad Bluf! – het blad dat recentelijk veel aandacht kreeg in de media naar aanleiding van het schandaal rond het ex-Tweede Kamerlid van GroenLinks, Wijnand Duyvendak. J&J was een club die ijskoud les gaf in terreur aan ‘terroristen’ in binnen en buitenland. Balkenende vond haar verleden geen belemmering voor haar huidige positie, maar hoe denken de Nederlandse burgers hierover? Hoe denken zij over hun staatssecretaris, wanneer ze een beetje meer over haar achtergrond weten? Laten we even terug gaan in de tijd. Toen Bussemaker politicologie ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam, raakte ze al snel betrokken bij de kraakbeweging. Op zich niet zo bijzonder omdat de universiteit een bolwerk was van links-radicale activisten en linkse professoren; een soort kraamkamer voor krakers, hackers, voorstanders van de opstand in Nederland, de revolutie in de Derde Wereld, het feminisme en ‘vrouwenstudies’. Tijdens haar studie woonde Bussemaker een aantal jaren in een enorm kraakpand achter het Paleis op de Dam, het voormalig NRC Handelsblad complex aan de Voorburgwal in Amsterdam. Het gebouw was al in maart 1978 gekraakt, maar de daaropvolgende strenge winter zorgde ervoor dat de meeste krakers ergens anders een onderkomen zochten. Maar Bussemaker was niet zo’n doetje en sloot zich aan bij een groep krakers die van meet af aan beter waren georganiseerd en die het gebouw in mei 1979 herkraakten. Al snel groeide haar groep uit van ca. veertig tot tachtig mensen. Een groep waarvoor de gemeente Amsterdam het letterlijk en figuurlijk in de broek deed. Dat bleek wel toen de gemeente enkele dagen voor de kroning van koningin Beatrix een wit voetje bij ze probeerde te halen, en in april 1980 bekend maakte dat zij het gebouw ging aankopen voor 3,7 miljoen gulden. Een toezegging die zij kort daarop nakwam zonder overleg vooraf en zonder enige verplichting voor de krakers. “Ik ben toen ik ging studeren in 1979 in het kraakpand van het voormalig NRC Handelsblad in Amsterdam terecht gekomen, vlakbij de Dam; daar woonde ik met andere studenten, punks, lesbische woongroepen (…) Ik woonde daar ook bij de kroning van Beatrix in 1980. Als niet helemaal gewenste buren kregen we allemaal een oranje kaart, door ons onmiddellijk omgedoopt als krakers-pas. De scherpschutters mochten van ons niet op het dak, die stonden dus op andere daken op ons afgesteld,” aldus Bussemaker in 2006 in het blad Lava van de Jonge Socialisten van de PvdA. In de studiegroep politicologie aan de Universiteit van Amsterdam raakte ze al snel bevriend met een aantal extreme activisten uit de kraakbeweging. Eén van hen was Eveline Lubbers, medeoprichter van Bluf! en J&J, en langdurig redactielid van beiden. In 1985 resulteerde het project onder meer tot het publiceren van het boek ‘Zielig zijn we niet.’ De uitgave werd gesubsidieerd door de Universiteit van Amsterdam en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In aansluiting op het project werd Bussemaker van 1987 tot 1988 onderzoeker en onderzoeksprogrammeur (verzorgingsstaat, uitkeringsgerechtigden en politieke potentiëlen) aan diezelfde universiteit. Aardig om te weten is dat Bussemaker van 1986 tot 1988 ook wetenschappelijk medewerker was van de Stimuleringsgroep Emancipatieonderzoek bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het ministerie dat menigmaal werd aangepakt door haar kameraden. Vooral omdat het ministerie wilde korten op hun uitkeringen. Dat moest gestopt worden, op welke wijze dan ook. In Bluf! (nummer 177, 4 juli 1985, pagina 7), werd een lijst afgedrukt met de namen van ambtenaren die bij het ministerie werkzaam waren, inclusief hun privéadressen en telefoonnummers, met de navolgende oproep: “Hoe je iemand op zijn/haar verantwoordelijkheid aanspreekt is ieders eigen keuze, van opbellen en om inlichtingen vragen tot gezellig op de koffie gaan of erger. Het is maar net waar ze verantwoording voor dragen.” Waar dat toe leidde hebben we recentelijk uit de affaire van Duyvendak mogen vernemen, alleen waren het toen ambtenaren van het ministerie van Economische Zaken die de trieste gevolgen mochten ervaren. In deze turbulente tijd schreef Bussemaker ook het krakersboek ‘Wij blijven lachen – De Beweging met ‘Bluffers’, waaronder Geert Lovink en Jo van der Spek, medeoprichters en jarenlange medewerkers van Bluf!. Het ministerie bleef doelwit van de activisten, hetgeen enorm escaleerde toen RARA in de nacht van 30 juni op 1 juli 1993 een bomaanslag pleegde op de derde verdieping van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in Den Haag. Binnen het Bluf!-kamp stroomden de verzoeken binnen van actiegroepen, die benieuwd waren hoe ze de politie en inlichtingendiensten van zich af konden houden of aan langdurige gevangenschap konden ontkomen. Voor J&J was dit een kolfje naar hun hand. In die periode studeerden behoorde Bussemaker tot hetzelfde groepje studenten politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Jansen & Janssen, een geschiedenis die zijn weerga niet kent. De paranoia voor BVD-infiltratie was zo groot dat men meedogenloos de jacht opende op kameraden die ervan verdacht werden dat ze als infiltrant voor politie en inlichtingendiensten werkten. Dat mocht onder meer Joop de Boer ervaren; hij werd ontvoerd en gemarteld totdat hij bekende voor de BVD te werken. Maar ook anderen die geheel onschuldig waren, werden slachtoffer van deze paranoia. Bijvoorbeeld Edward Neering. Op 20 januari 2008 schreef hij op zijn weblog over zijn ervaringen als volgt: “Dieptepunt destijds was dat ik ooit door de medewerkers van Res Publica werd beschuldigd en benaderd als BVD-infiltrant (nu AIVD).” ‘Permanent ondermijnend bezig zijn, zo heb ik ooit mijn doel met J&J geformuleerd’, liet Lubbers via haar website weten. Op haar eigen website voegde ze daar nog iets aan toe: ‘In de jaren tachtig ondersteunde J&J het openbaar maken van geheime informatie die bijvoorbeeld door inbraken bij politie of militaire objecten (door Onkruit) vrijkwam.’ Zonder die geheime informatie was het J&J waarschijnlijk nooit gelukt een invloedrijke positie te verwerven binnen de beweging. Zeker niet in de beginjaren tachtig, toen het niet eenvoudig was om iets boven water te krijgen over bijzondere afdelingen van de politie. Dit probleem werd op ingenieuze wijze opgelost. Naar eigen zeggen behoorde ‘[A]ctietuig dat een politiebureau wil bestormen’ tot de doelgroep van J&J. Desgevraagd weigerden ze om als ‘bewegingspolitie’ te fungeren. De actiegroepen zelf werden niet onderzocht. Dat was niet hun taak, vond Lubbers: “We worden vaak gebeld: of we iets over RaRa en zo weten. Dat doen we dus niet.” Na deze opmerking hield zij zich van de domme en liet erop volgen: “Ik weet het ook niet.” · Hoe schrijf je een persverklaring na een aanslag zonder dat de opsteller achterhaald wordt? Ook voor het saboteren van politieonderzoeken gaf men nuttige tips: · Schildpad-methode: luister niet naar wat ze zeggen, zet je verstand op nul, toon op geen enkele manier interesse, pak een pen of elastiekje als speeltje. Doel van de methode is jezelf te beschermen, de smeris wordt alle mogelijkheden ontnomen grip op je te krijgen. Bureau J&J kon op ongelooflijk brutale wijze jarenlang zijn gaan, zonder noemenswaardige tegenstand van regering of justitie. In die tijd lag de kracht van figuren als Bussemaker, Lubbers, Duyvendak en andere betrokkenen in de schimmige structuren en rolverdeling die men gecreëerd had. Een buitenstaander kon door de bomen het bos niet meer zien. Een klein voorbeeld: Wetenswaardig is de wijze waarop Ravijn is ontstaan. Na het opheffen van Bluf! was er ongeveer twaalfduizend gulden overgebleven. Met dat geld werd Ravijn opgezet. Veel mensen van Bluf!, waaronder Duyvendak en Lubbers gingen over naar Ravijn. Lubbers en Duyvendak kregen vaak stukken ‘aangeboden’ die eigenlijk geen boek waren. Ravijn wilde dit toch publiceren. Maar uit de ervaring met onder meer het publiceren van gestolen documenten had men geleerd dat het noodzakelijk was om een duidelijke scheiding tussen redactie en schrijvers te houden. “Belangenverstrengeling gaf ingewikkelde problemen”, aldus Lubbers en Duyvendak tijdens een bijeenkomst van radicalen. Alle voornoemde personen waren weliswaar onlosmakelijk met elkaar verbonden door hun verleden, opleiding, activiteiten en dubbele petten, maar waren voor justitie zo goed als ongrijpbaar door de taakverdeling en onafhankelijkheid van de feitelijk los van elkaar opererende stichtingen waarin ze actief waren. Nee, ze waren door ervaring wijzer, sluwer en nog ongrijpbaarder geworden. Toen Bussemaker aantrad heerste er een gemengde sfeer. Een sfeer van gespannenheid omdat bijvoorbeeld de uitgeverij Ravijn door middel van een gerechtelijke uitspraak was gedwongen om te stoppen met het uitgeven van het boek De Tragiek van een geheime Dienst. Maar ook een jubelsfeer, omdat men de BVD een enorme hak had gezet. Eerst even over het boek De Tragiek van een geheime Dienst dat in november 1990 was verspreid door Eveline Lubbers en haar kameraden. In Het Parool van 17 november 1990 zegt Lubbers: “In totaal denk ik dat we enkele duizenden boeken hebben verkocht.” Het boek was een soort vervolg op eerdere publicaties over politie- en inlichtingendiensten; bijvoorbeeld in het boek 'Speuren bij de bespieders' of de 'Stillenregistratie' in Bluf! Ditmaal was de werkwijze van de politie-inlichtingendienst in Nijmegen en omgeving tot in detail in kaart gebracht. Maar de grootste rel veroorzaakte de publicatie van de foto’s, privéadressen, telefoonnummers, autotypes en kentekennummers, burgerlijke staat, activiteiten in het privéleven en eventuele kinderen van inlichtingen- en politiemensen in Nijmegen. De politiefunctionarissen waren geschokt. Door de publicatie konden zij hun werk niet meer doen en werden hun gezinnen bedreigd. Samen met de gemeente Nijmegen spande de politie een kort geding aan tegen Ravijn en andere verspreiders van het boek. Maar de schrijvers konden niet aangeklaagd worden, omdat hun identiteit onbekend was. “We weten ook niet wie de schrijver is. Op een gegeven moment stond hier een partij in dozen verpakte boeken op de stoep”, beweerde een medewerker van Ravijn in de Volkskrant van 7 november 1990. Ten slotte werd Ravijn toch veroordeeld en bleef het met een grote financiële strop zitten. Om dat gat te dichten, en om door te gaan met het uitgeven en verspreiden van dit soort publicaties, werd er zeker tot eind 1992 binnen de beweging gevraagd om gul te storten op het gironummer van Ravijn. Wetenswaardig is dat de Nijmeegse groep krakers die mee hadden gewerkt aan het boek (waaronder de op 15 november 2005 vermoorde Louis Sévèke) later een soort ‘zelfstandige’ afdeling werden van J&J, onder de naam Onderzoeksbureau Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (OBIV). Dan nog even over de jubelsfeer. In de periode dat Bussemaker bij J&J betrokken was gingen de activiteiten tegen justitie, politie en inlichtingendiensten gewoon door, alleen was de koers iets meer verlegd. Men ageerde nu tegen het vluchtelingenbeleid. Opvallend is dat Bussemaker op dat moment niet alleen de pet op had van Res Publica, maar ook een tweede pet, die van haar lucratieve uitvalspost: de Universiteit van Amsterdam. Daar werkte ze onder meer als toegevoegd onderzoeker faculteit politieke en sociaal-culturele wetenschappen, deeltijd universitair docent vakgroep politicologie en bestuurskunde, en werkte ze mee aan een door de Stichting Recht en Openbaar Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gesubsidieerd onderzoek. Belangrijke partijleden van deze aanpak waren Wilbert Willems en Andrée van Es. Zij keerden zich fanatiek tegen het Nederlandse asielbeleid en het feit dat de BVD actief was in kringen van asielzoekers en vluchtelingen. Begin 1990 was J&J begonnen met het verspreiden van een enquêteformulier onder tientallen organisaties om gegevens te verzamelen over asielzoekers die waren benaderd door inlichtingendiensten. Advocatenkantoren, vluchtelingenzelforganisaties, kerken en vluchtelingengroepen deden eraan mee. Aan het eind van het jaar werden de resultaten van het onderzoek gepubliceerd in het als boekje De vluchteling achtervolgd – De BVD en asielzoekers. Naar aanleiding van het onderzoek diende het GroenLinks-Kamerlid Willems onmiddellijk een motie in om de bevoegdheden van de BVD op het terrein van asielzoekers in te perken. Een van de meest spraakmakende acties gebeurde toen Bussemaker amper op haar plek zat. Op 10 oktober 1991, toen in Utrecht een van de meest gezochte rebellen uit de Filippijnen, Nathan F. Quimpo, door functionarissen van de Nederlandse en Amerikaanse inlichtingendienst werd benaderd om als informant te werken. Mispoes, Quimpo had de ‘Tips en Aanbevelingen’ van J&J goed gelezen en wist samen met hen de inlichtingenfunctionarissen in een val te lokken. Ook de Vara deed mee. Op 2 november 1991 maakte het actualiteitenprogramma Achter het Nieuws er een spektakel van: een wegsnellende BVD-agent, een nuchtere CIA-man, een zielige Quimpo die op de vlucht was voor een ‘vreselijk Filippijns regime’, en Quimpo’s advocaat Tomlow, die het ‘ongehoord’ vond dat zijn cliënt de asielzoeker werd benaderd om informatie te geven. De regie van de uitzending was in handen van een van Nederlands bekendste presentatoren, Paul Witteman. Gezien hun belangrijke rol binnen de beweging is het niet verwonderlijk dat J&J continu in de gaten werd gehouden door politie en inlichtingendiensten. “Maar dat deden ze zo knullig. (…) Eigenlijk lachwekkend”, vertelde Eveline Lubbers in een interview. “In ’88 heeft de BVD geprobeerd een zolder te huren, die gesitueerd was tegenover ons toenmalige kantoor. Ze vroegen het bij toeval aan een bewoner, die journalist was bij de NRC. Dat kwam dus meteen in de krant en het BVD-feestje ging niet door.” Terug naar Bussemaker. In 1995 nam zij afscheid van GroenLinks en werd lid van de PvdA. Dat kwam voornamelijk door de vele gesprekken die ze had gehad met Maarten van Traa en haar oude strijdmakker Andrée van Es. Van Es kende ze nog uit de veelbewogen krakersperiode, en dan voornamelijk uit het ‘activistisch-feministische’ circuit en de jacht op politie- en inlichtingdiensten.
Bij de PvdA lag het dubbele petje van Bussemaker iets gevoeliger, hetgeen er waarschijnlijk toe geleid heeft dat zij in maart 1996 uit het bestuur van Res Publica stapte.
Het is heel begrijpelijk dat de oude kameraden of leden van Res Publica, J&J, Ravijn – of andere links-radicale organisaties in Nederland – zeer zwijgzaam zijn over hun verleden. Het is begrijpelijk, omdat een aantal van hen zich sindsdien vrijelijk bewegen of bewogen hebben binnen het hart van onze overheden en politiek. Wijnand Duyvendak als Tweede Kamerlid voor GroenLinks, Jet Bussemaker (PvdA) als Staatssecretaris, Peter Klerks (PvdA) als lector aan de politieacademie, Andrée van Es (GroenLinks) als directeur generaal bij Binnenlandse Zaken of Jaqueline Cramer van Vrom.
|